Feeds:
Berichten
Reacties

TCV – Album met ballen

© Olivier Van Acker

Hou je vast, hier komt een ware rock ’n roll wurggreep. Op sleeptouw met drie helden doorheen de ruwheid en het ware gelaat van wat eens muziek moet geweest zijn.

Hadden we na de, nauwelijks te evenaren, superband ‘The Dead Weather’ nood aan een nieuwe supergroep? Zonder twijfel. Them Crooked Vultures bezet een volledig andere muziekscène. En God, kunnen we ooit genoeg krijgen van zo’n superbands?

Het titelloze debuutalbum van TCV is net iets te hard voor je poppie babbylon-buurmeisje. Dit album heeft ballen. Stap dus in die goddamn oldtimer, draai de ramen open. Daarna de stereo en hou je klaar voor dé rit van 2009. Josh Home (Qotsa) verovert je met zijn stem en bijhorend gitaarspel. Dave Grohl (Nirvana, Foo Fighters) slaat je een muziekgeweten met de gekende passionele drumsensaties. John Paul Jones (Led Zeppelin) bepaalt dan weer je hartritme met een overheerlijk baswerk. Simpel als dat.

Good old rock. Like it used to be. Like it has to be. “I drive all alone at night. I drive all alone.” [Dead end friends] De nacht lijkt je speelbal terwijl TCV je doorheen de duisternis leidt. Rij die hoer voorbij en omhels het debuutalbum als je goorste en grootste liefde.

 

“Hoe ze met hun minuscule penissen de broze schaamlippen van de persvrijheid penetreren”
Een relaas van een bewogen nacht

(c) Harko Vande Loock

© Harko Vande Loock

Het concept ‘persvrijheid’ kreeg op 10 november 2009 een belachelijke connotatie in de schijnbare vrije Vlaamse wereld. Ik voelde letterlijk de slagen van onze verworven schijndemocratie. ‘Les flics’ hadden de macht even overgenomen, hun gezag tot in het vuilste toe misbruikt. Een relaas van een bewogen nacht:

 

Ik waan me in een dictatoriaal regime waar George Orwell rechtstreeks zijn hand in heeft. De realiteit daarentegen, is veel minder heroïsch en romantisch te noemen. In een duister hoekje van het Sint-Pietersplein hebben zwaar uitgeruste ‘flikken’ een grote massa omsloten. In de hoop dat ze hun vuilste agressie kunnen losvaren, drijven ze de toeschouwers weg van het tragisch schouwspel. Goliath kent zijn plaats niet en vernedert elk beetje David onder de mensen. Ik ken mijn plaats wel: voor de frontlinie met de camera in de hand. Ik probeer als reporter van Indymedia de onrechtvaardigheden op foto te krijgen.

img3

© Olivier Van Acker

Het is me niet gegund. In alle ophitsing en commotie lukt het me een overzichtsbeeld op foto te krijgen tot ik merk dat een ‘flik’ in burger me aan het filmen is. Ik leg hem met een onevenredige vriendelijkheid uit dat ik reporter ben en enkel foto’s trek. “Geef je identiteitskaart eens, meneer.” hoor ik mijn onbekende minnaar uitsnauwen. Ik kijk volledig gedesillusioneerd naar een vriend van me die zich in de omringende massa bevindt. “Wat gebeurt hier?” Te laat. Zelf de verontrusting en verwarring krijgen hier geen tijd.

Ik voel de gefrustreerde hand van een vrijheidsverkrachter rond mijn linkerarm. Ik probeer mijn perskaart boven te halen. Opnieuw: te laat. Mijn lichaam wordt samen met de perskaart door vier bruten op de grond gesmakt. Vier? Ik moet blijkbaar vergeten zijn dat ik een kathedraal van spiermassa met me meedroeg. Een knie in mijn nek, mijn armen gekraakt en een hels gebrul. Het lijkt de gruwelijke paringsdans van wat onervaren dwergbuffels. Ik verzet me niet. Ik wil een Gandhi zijn onder de arrestaties. Ik voel hoe hun strips doorheen mijn vel snijden. Ik voel hun agressie. Ik voel hoe ze met hun minuscule penissen de broze schaamlippen van de persvrijheid penetreren. Ik voel. Zij niet.

img2

© Olivier Van Acker

Zij lijken al sinds een tijdje machines van het laagste kaliber te zijn. Geen verklaring voor het aanbrengen van de handboeien. Geen verklaring voor de bestuurlijke aanhouding. De combi in. Ik deel deze taxi van onrechtvaardigheid met drie andere lotgenoten. Met volle, opnieuw overdreven, snelheid droppen ze ons in het politiekantoor van Gent-West. Ik krijg nieuwe beulen. Broekriem af, zakken leegmaken, nummer op de hand. Ik heb geluk. Degene na mij zullen hun nummer op het voorhoofd krijgen. Ik weiger associaties te maken met andere geschiedenisfeiten. Nummer negen? Ben ik een beest? Ik kijk rond me en zie de blauwen staan. Zij zijn de beesten, ik de mens. Ik kan mezelf nog altijd onderscheiden.

De massa-cel in. Heb ik geen recht om iemand te verwittigen? Eén telefoontje? Opeens besef ik dat ‘les flics’ veel meer dan de persvrijheid hebben verkracht. Artikel 6 van het Internationaal Recht, Artikels 1, 31 en 37 van de wet op het politieambt, Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ze worden één voor één als stront op de afvalberg gestort.

Het ruikt hier trouwens niet naar stront maar naar urine. De geur dringt zich op. Genoeg mensen in de cel die de kans niet krijgen om het toilet op te gaan zoeken. ‘Les flics’ zijn bang dat we ons een weg naar de vrijheid pissen. Anderhalf uur wachten op een teken van aandacht. Klein verhuis. Naar de gang om plaats te maken voor een nieuwe lichting jongeren. Ik voel me een stateloos burger in eigen stad. Gebrul, geblaf, getier. Onvriendelijke uitingen van een bedenkelijk machogedrag. Ik heb respect voor de andere mensen in de gang. Ondanks de tirannie die er heerst, blijven zij rustig. Mijn bloed kookt. Mijn verstand weet echter beter en ik laat de vernederingen over me heen waaien. “Wij zijn binnen een aantal uurtjes vrij. Jullie zitten hier voor de rest van jullie leven.” hoor ik een medemens in de gang naar één van de blauwen roepen. Raak. Zonder twijfel.

Mijn tijd is gekomen. Nog even een foto en een handtekening. Geen idee wat ik tekende. Opnieuw een inbreuk. En de foto? Voor een fanpagina zal het wel niet zijn. Opnieuw een inbreuk op mijn vrijheden. Vier ‘flikken’ begeleiden een groepje mensen naar buiten. Daar hoor ik bij. Bij het groepje mensen. Niet bij de beesten.

img4

© Olivier Van Acker

Pelican

What We All Come To Need

Dondergod Pelican doet op haar vierde lange, ‘What We All Come To Need’, wat wij zo heerlijk vinden aan dit viertal uit Chicago: zware, epische riff uitspuwen. De samenwerking van Pelican met SunnnO)))’s Greg Anderson en Isis’ Aaron Turner holt en rolt als een hoogzwanger zwijn met een lelijke constipatie. En vinden wij dit fantastisch? Absoluut! ‘What We All Come To Need’ is niet minder dan een unieke kruising tussen slome postrock en progressieve metal, zichzelf een stuk dieper in het brein gravend dan vorige worp ‘City Of Echoes’.  Denderende gitaren  en een gigantische scheut talent compenseren het gebrek aan, rarara, vernieuwing. Maar who gives a f*ck als elk nummer zich als kolossaal luide euforie een afgrond naast uw voeten graaft. Massief!

 

Pelican

Kortverhaal

Onrustig wordt Elias wakker, bang voor wat komen gaat. Elias is een bescheiden achtjarige jongen. Hij woont in de kelder van een klein rijhuis in een oude wijk. Zijn dierbaarste bezit is een oude cassettespeler en enkele oude cassettes. Hij snapt niks van wat er op die cassettes wordt gezongen, maar de muziek geeft hem een troostend gevoel. Zowel thuis als op school is hij een verstoteling, een eenzaat binnen zijn eigen dorp. Hij heeft geen schoolvrienden, gaat nooit voetballen in zijn wijk en hij wordt vaak gepest. Maar het maakt hem niks uit. Zolang hij Melho heeft kan niemand hem breken. Melho is zijn beste en tevens enigste vriend. Hij heeft een gigantische rode vlek over de hele rechterkant van zijn gezicht en hij is net als Elias acht jaar. Ze trekken samen op, dag en nacht. Ze gaan samen naar school, spelen samen in het bos en luisteren samen naar muziek. Melho heeft geen thuis, geen familie en niemand die voor hem wil zorgen.

De ouders van Elias maken zich vaak kwaad. Ze hebben Melho nog nooit gezien, hoewel hij volgens Elias nog geen enkele maaltijd heeft gemist. ‘Melho bestaat godverdomme niet, dus stop met die onzin,’ roepen zijn ouders dan. Op school vertelt Elias veel over zijn beste vriend met zijn grote rode vlek. ‘Kijk iedereen, zo erg is die vlek toch niet,’ roept hij dan. Iedereen lacht hem uit. Soms krijgt hij zelfs stampen in zijn buik. Leerkrachten moeten dan tussenkomen. ‘We krijgen jou en die vriend van je nog wel,’ roepen ze hem dan na.

Elias heeft een jongere zus, Noor. Zij is pas zes en Elias haat haar omdat zij thuis de koningin is en hij slechts een knecht. Op een dag gaan ze samen naar een nabijgelegen rivier. Terwijl Elias met zijn vriend Melho speelt, wordt Noor van het ene moment op het andere meegesleurd door de sterke stroming. Melho springt in het water, maar kan niet tot bij Noor komen. De stroming is te sterk. Noor is verdwenen onder water. Paniek. De volgende dag wordt haar koude lichaam gevonden, het meisje had geen enkele kans op overleven. Elias probeert uit te leggen dat Melho zijn zusje probeerde te redden maar zijn ouders zijn woedend en ze besluiten dat het zo niet verder kan. Hij krijgt amper eten en mag niet uit zijn kamer, enkel naar school en terug. Daar wordt hij de volgende dag in elkaar geschopt, als gevolg van het ongeval met zijn zusje: ‘Je hebt je zusje laten verdrinken, je hebt haar vermoord!’ Elias kan de pijn niet meer aan: hij valt bewusteloos neer. De leerlingen lopen juichend weg. Een half uur later wordt hij gevonden door de leerkrachten, zij brengen hem onmiddellijk naar het ziekenhuis. De volgende ochtend is Elias nog steeds niet bij bewustzijn. De dokters zeggen wel dat alles in orde komt, maar er is iets heel vreemd aan de hand dat ze zelf niet kunnen verklaren: Elias heeft over de hele rechterkant van zijn gezicht een grote rode vlek. De middag valt, de warmte irriteert en de kamer is leeg. Rustig wordt Elias wakker, klaar voor wat komen gaat..

Dadipark laat een nostalgisch spektakel achter”

Inkom Dadipark

Dadipark laat een nostalgisch spektakel achter. Wat ooit als verademing in een bede-oord gepland werd, lijkt nu slechts de vervallen tuin van Eden. De mens heeft dit speeltoneel verlaten. Het doek viel plots en abrupt over de speelplek van het plezier. Daar zijn de restanten en nog rechtstaande attracties het bewijs van.

De zomervakantie ligt nu al enkele dagen achter ons. De pretparken in België kenden een groot succes. Dadipark, gelegen in het afgelegen Dadizele, kan dat succes al enkele jaren niet meer delen. Het park ligt er sinds 2003 vervallen bij. Verlaten door de mens, overmeesterd door de natuur. Eind 2002 liepen hier nog 120.000 betalende bezoekers rond. In topjaren kende het park maar liefst meer dan 600.000 bezoekers. De dag van vandaag rest er in het verloren pretpark niet meer leven dan de inheemse fauna en flora en twee al even verloren struisvogels.

Glijbaan DadiparkJonge bomen, oude herinneringen

Ik waan me een kind die een oude wereld onderwerpt aan een ontdekkingsreis. Vol verstomming sta ik stil bij elke attractie die ik tegenkom. Glijbanen, schommels tot zelf enkele botsauto’s die de stormen van de tijd en vandalisme overleefd hebben. Hier staat de tijd stil. De weemoed is hier meester. De nostalgie koning.

Ik slenter verder doorheen de verloren vrijheid. Mijn drang naar nieuwe ontdekkingen wordt al snel een obsessie. De drug begint te werken. Ik doorbreek de schijnbare grens van beschaving en trek steeds dieper de overwoekering in. Ik ken geen grenzen meer. Iets wat op een reusachtige wipplank lijkt, blijkt de diepste en voor de mens allerlaatste plaats die te bereiken valt. Ik ben nu omringd door jonge bomen, struiken en een afsluiting die twee struisvogels ervan weerhouden om de volle aanval tegen me in te zetten. Tijd om stapvoets terug te keren naar de meer toegankelijke speelplaats. De vliegen zwermen rond mijn hoofd. Helaas, ik vlieg al tientallen minuten veel hoger dan hen.

Vlinders achterna

Ik begrijp het hoe langer hoe minder. “Hoe konden de voormalige investeerders, ondanks de matige jaaromzet van 1 miljoen euro, dit koninkrijk laten vallen?” Ooit door het bisdom opgestart, was Dadipark een betaalbare oase voor de kleinere mens onder ons. Ik vind er toegangskaartjes van 120 Belgische frank. Geen commercieel gevloek die lange wachtrijen en loonrovende voedseltentjes met zich meebrengt.

Hier vierde ik als kind het leven. Op de langste houten loopbrug van Europa die in Dadipark gevestigd is, liep ik de vlinders achterna. Ik slaag er met volle succes in om mezelf weer kind te voelen. Ik klim onschuldig en vrij de grote glijbaan op. Hierboven bevind ik mij op mijn ivoren toren met een blik op een vervallen, toch glorieuze wereld. Ik glij naar beneden en zoek mijn laatste speelplek op.

Wanneer ik enkele minuten later op de grote schommel in de lucht lijk te zweven, vorm ik de waarheid in mijn hoofd. “Hoe verlaten, verloren en vervallen een wereld ook mag zijn, de natuur en herinneringen overmeesteren het wel.” Ik lach als een kind. “Papa, mama, ik wil hoger. Breng me naar de zon.”

Hangaar Dadipark

Kraftwerk @ Pukkelpop 2009

‘We are the robots’

De anderen hebben ongelijk. Nu meer dan ooit. Wie niet begeesterd werd door het optreden van Kraftwerk op Pukkelpop 2009 is niet toerekeningsvatbaar. Of net wel? Wie zichzelf de mogelijkheid gaf om weg te vluchten uit het psychedelische oerwerk van Kraftwerk verloochende de ware muziekgeest in zijn of haar ziel. Kraftwerk. Kraftwerk! Ook na het uitslapen, de uitwerking van de verdovende middelen en de back-to-reality-stamp blijf ik ‘We are the robots’ neuriën in de grauwheid van het straatbeeld.

Ook ondertekende had ongelijk. Ik leefde niet met grootse verwachtingen toe naar het optreden van Kraftwerk op Pukkelpop 2009. De grondleggers van alles wat zich momenteel in de electrowereld bevindt? Ik associeerde er enkel titels mee als ‘Das Modell’, ‘The Robots’ en ‘Autobahn’. Meer niet. Tot ik er stond, beneveld werd door de trance en er mezelf volledig verliet. Ik had ongelijk. Pukkelpop 2009 had ik moeten gelijk stellen met het optreden van Kraftwerk. Ik spreek nog altijd niet tegen mezelf.

Op de weide van de mainstage aangekomen, stond de mensheid stil. Zowel letterlijk als figuurlijk. De mensen rondom mij waren deel geworden van de technologische ophemeling die de mannen achter Kraftwerk in hun doen en laten ontwierpen. Ik ben geen wetenschapsmens, evenmin een optimist of technologiefreak maar dat anderhalf uur zette ik elk blues-, rock- en indiepop-gevoel zonder bezwaren van me af. Ik was die tijd een radertje in een historisch bolwerk van technologische vereeuwiging. Ik vergat alles en werd in levende lijve één van de robots, een slachtoffer van Tsjernobil en een digitaal cijfer in de wirwar van het existentialistisch heldendom.

Vier helden op het podium en ik had de eer om even in hun wereld te vertoeven. De jeugd. Wat was er met de hopelozen aan de hand? Ze keken verveeld en vertrokken in de schaduw van hun ontlasting. Wie waren ze? Hun rug draaiend naar de oorsprong van een oneerlijke electrogeschiedenis, waren ze voor mij niet meer dan de verdorvenen in een Babylon-maatschappij. De godelozen.

Kraftwerk! Kraftwerk dus. Een zelfverklarend verhaal dat in 1970 startte en singles als Autobahn, The Model en Radioactivity met zich meebracht. Enkel Ralf Hütter blijft als oprichter en leider van Kraftwerk nog over van de originele bezetting. In 1974 kenden ze hun doorbrak met het historisch album ‘Autobahn’. De synthesizer was plots niet meer weg te denken uit de muziek.

En ik? Ik mocht voor even deel uitmaken van die geschiedenis. Kraftwerk, dat was de gehypnotiseerde massa. Kraftwerk, dat was de juiste melodie in een vervlogen technologische toekomst. Kraftwerk, dat was ik. Maar geen uitleg, welke woorden ook of herinneringen kunnen dat bewustzijn aangeven dat ik daar toen was en leefde. Wat het ook mocht betekenen. De lucht was electrisch geladen. En de anderen? De anderen hebben ongelijk.

Interview: Lightning Dust

“Visuele dromen en idiote Canadezen”

Lightning Dust

Het relaas van Lightning Dust

Ééntje is geentje, moeten Joshua Wells en Amber Webber van het Canadese Black Mountain gedacht hebben. En verdorie: met hun tweede project Lightning Dust creëert het duo opnieuw heerlijk dwalende, ietwat donkere, spacerock waardoor ons hart zo nu en dan een slag mist. Donker én spooky, inderdaad. Maar wie bij deze reeds dat kartelmes op de pols heeft staan, wordt genadeloos teruggefloten. Lightning Dust is er namelijk in geslaagd om positieve gevoelens and a bunch of lightness te verpakken in dat typisch donkere geluid waar ze zelf zo verzot op zijn. En dan wilt u niet weten hoe crazy het óns maakt!

Meneer Wells. Je hebt nu twee fantastische spacerock-groepen. Is het niet moeilijk om een eerlijk evenwicht te vinden tussen Lightning Dust en Black Mountain?

JoshuaWells: “Niet echt. Black Mountain blijft in vele opzichten ons hoofdproject. Dat was van bij de start duidelijk. We spenderen er ook veel meer tijd aan, in dat opzicht is het logisch dat Black Mountain onze main band blijft. Maar als ik het mentaal gezien bekijk, dan heb ik geen specifieke voorkeur. Ik hou net zo veel van de muziek die ik met Lightning Dust maak als van de psychedelische rock van Black Mountain.”

‘Infinite Light’ klinkt in vele opzichten als een logisch vervolg op jullie debuutplaat. Mag ik ervan uitgaan dat het album simpelweg een kind is van jullie liefde voor muziek?

Joshua: “Absoluut. Na ons debuut, ‘Lightning Dust’ was het vrij snel duidelijk dat er een vervolg zou komen. We zijn namelijk nooit echt gestopt met schrijven. De grootste reden dat dit album er gekomen is, is echter het feit dat onze muzikale ideëen voor ‘Infinite Light’ uiteindelijk toch sterk verschilden van de ideeën die we voor onze debuutplaat hebben uitgewerkt. Het mocht dit keer iets ruimer zijn, niet meer die ruwe eenvoud die ons debuut kenmerkt. We hadden op die manier allebei het gevoel dat dit een compleet andere plaat ging worden. We were psyched!

Wat zijn, naast de ideeën, volgens jou de grootste verschillen tussen jullie twee platen?

Joshua: “Over ‘Infinite Light’ is zeker en vast meer nagedacht. Zo gebruiken we bepaalde elementen om het geheel een diepere laag te geven. Dat spacy geluid bijvoorbeeld komt deels voort uit de ruimte die we tussen de verschillende instumenten gecreëerd hebben. We hadden niet meer de intentie om alles op en over elkaar te laten vallen. Het mocht iets luchtiger zijn. Het geheel wat ruimer maken, snap je, de songs wat extra dimensie meegeven. ‘Lightning Dust’ was daarentegen een stuk minimalistischer, een stuk dunner.”

Dunner?

Joshua: “Inderdaad. Ons doel was om zoveel mogelijk te snijden in onze songs, om op die manier enkel de essentie over te houden. De strijkers die we de vrije loop geven op ‘Infinite Light’ zijn een goed voorbeeld van het bredere geluid dat we nu hanteren.”

Dat geluid klinkt vooral heel dromerig. Hebben jullie de intentie om jullie eigen dromen te verwerken in jullie nummers?

Joshua: “Wat mezelf betreft, ben ik vrij heftig beïnvloedt door mijn eigen onderbewustzijn. Veel van mijn ideeën haal ik bijvoorbeeld uit het dagdromen. Het komt regelmatig eens voor dat ik hier of daar eventjes ‘weg’ ben. Je kent dat wel: je slaapt niet echt, maar toch heb je het gevoel dat je kort ergens anders was. En ik hou ervan om die visuele dromen om te zetten in woorden. Amber daarentegen haalt haar inspiratie voornamelijk uit wat zich rondom haar afspeelt. Haar vrienden, haar familie en haar omgeving zijn voor haar belangrijke inspiratiebronnen.”

Nu je zelf over haar begint. Haar stem staat veel meer dan bij Black Mountain centraal. Ik ben niet de enige die vindt dat ze pas bij Lightning Dust volledig tot ontploffing komt.

Joshua: “Absoluut! Daar kan ik je geen ongelijk in geven. Bij Lightning Dust krijgt ze eindelijk de mogelijkheid om te laten zien wat ze kan. Bij Black Mountain deelt ze de main vocals met Stephen McBean, waardoor haar stem minder centraal staat. En als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat Lightning Dust meer haar stijl is. Pas op, dat zijn haar eigen woorden, niet de mijne! Je hoort haar gewoon genieten wanneer ze zingt! Voor Amber is dit project een noodzakelijke uitlaatklep, she can’t get enough!”

We saw the light

De titel verraadt dat jullie geen gefrustreerde zwartkijkers zijn. Of hadden jullie een klein moment van euforische zwakte?

Joshua: (lacht) “Nee toch niet. Die titel kwam in ons op wanneer we het album als een geheel gingen beschouwen. De vraag was daarbij: welk aspect bindt al deze songs? En het antwoord was: licht! We saw the light! Niet letterlijk natuurlijk, maar licht in die zin dat ‘Infinite Light’, ook al is het geluid vrij donker, een heel positief getint album is. Dit album brengt veel meer lichtheid en vrolijkheid met zich mee dan ons debuut. En dat gevoel hadden we van bij het begin. Het licht drapeert zich als een deken over de hele plaat.”

Je vermeldt daar zo iets: als luisteraar kan je er niet omheen dat ‘Infinite Light’ inderdaad heel donker en spacy klinkt, ondanks die positieve boodschap.

Joshua: “Wel, dat is voor ons net het interessante aan dit album. Het bevat veel positieve vibes, terwijl het toch nog klinkt hoe wij onze muziek graag horen: donker, ietwat depressief. Om één of andere reden zijn zowel Amber als ik compleet weg van dat donkere, spooky geluid. Vraag me niet hoe dat komt.”

Het gevolg van een jeugdtrauma?

Joshua: “Toch niet dat ik weet. (lacht) Nee kijk, ik heb gewoon altijd veel bewondering gehad voor donkere, georkestreerde popmuziek uit de jaren ’60. Één van mijn grootste invloeden is bijvoorbeeld de Canadase groep The Poppy Family, daarin hoor je duidelijk elementen die je nu in onze muziek terugvindt.”

Maar als ik jullie cover van Budgie’s ‘Wondering What Everybody Knows’ hoor, dan ..

Joshua: “.. kom je inderdaad tot de conclusie dat ik ook niet echt vies ben van het hardere werk. Budgie moet één van onze gezamenlijke favoriete groepen aller tijden zijn. We zijn grote fans van het merendeel van zijn oeuvre. De reden dat we juist ‘Wondering What Everybody Knows’ gekozen hebben, is omdat het een vrij folky nummer is waar we perfect onze eigen versie van konden maken. Onze versie is uiteindelijk net iets minder melancholisch dan hun versie. Zo zie je maar weer: licht!”

Mocht je op een dode dag de kans krijgen om met jezelf als lastige puber te praten, wat zou je dan absoluut zeggen?

Joshua:Now that’s an interesting one. (lacht) Ik denk dat ik mezelf vooral zou aanmoedigen om songs te blijven schrijven. Ik heb tijden gekend waarin ik mezelf gek verklaarde om te blijven dromen over muziek. Het is niet altijd even gemakkelijk geweest, maar het waren uiteindelijk net die moeilijke perioden die me overtuigd hebben van mijn passie voor muziek.”

Sorry!

Amerikaanse artiesten vertellen vaak dat ze op een vrij harde, religieuze wijze zijn opgevoed. Kan jij jezelf nog het klappen van de ‘zweep van God’ herinneren?

Joshua: (lacht) “Nee, absoluut niet. Ik ben heel liberaal opgevoed. Mijn beide ouders waren hippies pur sang, dus dan weet je het wel. Mijn vader was een gitarist en mijn moeder zong heel vaak. I pretty much grew up around rock-‘n-roll. Helaas is dat niet overal het geval hier in Canada. Religie heeft binnen bepaalde gemeenschappen nog steeds een sterke invloed. In dat opzicht kent Canada grote gelijkenissen met de VS: beide landen zijn gigantisch groot qua oppervlakte, wat ervoor zorgt dat er erg veel visies mogelijk zijn omtrent religie. En dan is het religieuze conservatisme natuurlijk nooit ver weg.”

Nu ik toch een Canadees aan de lijn heb, zou ik graag nog iets willen controleren. Men heeft mij ooit eens verteld dat het in Canada de gewoonte is om de deur ’s nachts open te laten.

Joshua: (lacht) “Nee man, dat is absoluut niet waar. Geen idee waar je dat ooit gehaald hebt. Niemand laat hier zijn deur open! Ben je gek! Met al die freaks tegenwoordig.  Één of andere idioot moet je dat wijsgemaakt hebben. Ofwel zijn er hier inderdaad een paar enkelingen die hun deur ‘s nachts openlaten. Dat zijn dan ook idioten!” (lacht)

Dan verklaar ik de Canadezen bij deze als volkomen gezonde mensen.

Joshua: “Pas daar maar mee op! Wij hebben een andere rare neiging: de neiging om heel veel sorry te zeggen, zonder geldige reden. Geen idee hoe het zover is kunnen komen. Het zal wel liggen aan het feit dat wij een vrij propere gemeenschap zijn, alhoewel het raar blijft wanneer je landgenoten continue sorry hoort zeggen.”

Nochtans niets van gemerkt, volkomen gezond dus!

Tekst Joachim Van Waes

Foto Andy Bond

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.